sep 122013
 

Regelmatig gaan er stemmen op dat de wereld beter af zou zijn zonder godsdienst. Godsdienst verplicht vrouwen soms om hoofddoekjes te dragen en zich koest te houden. Niet alleen in de Islam. Ook protestantse kerken nemen een tweeduizend jaar oude aanbeveling van de apostel Paulus doodernstig. Waar gaat dit over? Houdt godsdienst mensen vaak niet onmondig? En dan hebben we het nog niet eens gehad over het geweld dat gelovigen altijd weer weten te produceren! Jodendom, islam, christendom: ze prediken stuk voor stuk recht en vrede… Godsdienst heeft echt wel positieve kanten. Maar wat zie je vaak het tegendeel!

Ik spreek regelmatig mensen die onderscheid maken tussen georganiseerde godsdienst en God. Tussen de kerk als instituut en ‘onze lieve Heer’. Wanneer zich dan weer een drama afspeelt in de kerk, waar mensen voor het leven door verwond worden, hoor ik wel eens: Dit is niet wat God wil, dit is echt niet waar Jezus voor staat. Dit doen zijn zogenaamde ‘dienaren’.  Ook prins Claus en prins Friso hadden niet erg veel op met het instituut kerk, zo konden we horen tijdens en rond de viering bij de begrafenis van Friso.

Eerlijk gezegd kan ik me zulke reacties wel voorstellen. Mensen voelen zich nogal eens veroordeeld door de kerk, buitengesloten en dat beschadigt. Wanneer je als mens wordt buitengesloten, of wanneer een stuk van wie en wat je bent wordt veroordeeld, raakt dit je tot in het diepste van je ziel. Het is vaak niet eens zo bedoeld, het gebeurt vaak onbewust. Maar het punt is dat het gebeurt. Dit soort ervaringen zijn in Nederland een grote oorzaak van de kerkverlating. Maar soms wordt dit buitensloten worden en (mond)dood maken wel bewust gedaan. Godsdienstige onderdrukking en terreur wordt gepland, in de naam van Allah, in de naam van Jezus en ga maar door. – Gott mit uns! En wie die God niet dient moet er aan geloven…

Ik moet u iets bekennen. Ik heb soms wat moeite met de islam… Zoals die zich steeds weer in het nieuws presenteert.  Al dat geweld, al die haat… Ik weet dat ik zo niet hoor te denken – dat ik vanuit een basisemotie gemakkelijk goede mensen kan veroordelen. Het is ook niet zo dat ik een hekel  heb aan islamitische mensen, maar aan een manier van geloven waarmee ik zelf  een beetje ben opgegroeid. Een geloof dat je  inderdaad klein hieldt, mensen die je met de bijbel in de hand precies wisten te vertellen wie in de hemel zouden komen en wie in de hel. Gelovigen die je angst aanpraten – onbewust vaak.Wanneer een geloof dat uitstraalt – gaat het om joden, moslims, christenen of wie ook maar – reageer ik allergisch.

En toch zit het me niet lekker, dat gevoel tegenover medemensen. Want gedrag kun je afwijzen, met mensen zelf moet je dat niet doen. Afwijzing, buitensluiten van mensen maakt de problemen alleen maar erger. Veel geweld in de samenleving heeft te maken met het gevoel dat een ander op je neerkijkt, je minacht. Precies dat is wat Jezus doorbrak. Hij accepteerde mensen, bracht hen bij elkaar en tot God, de bron van vrede.

Onlangs had ik een bijzondere ervaring, die me hielp het negatieve gevoel te relativeren en welke me bevestigde in het vertrouwen in God en zelfs in mensen. Want vooropgesteld: ik ben het niet eens met degenen die zeggen dat de wereld beter af is zonder religie. Geloof verwijst naar de Bron van Leven die God is. De Bron van liefde, voor alle mensen – niet alleen voor christenen, joden of wie ook maar. Alle mensen zijn ‘Gods kinderen’, ze komen uiteindelijk uit zijn wereld.  En Hij laat zijn schepping en schepselen niet ter aarde vallen om het te zeggen met de traditionele bewoording waarmee een kerkdienst vaak begint. Het zijn inderdaad zijn volgelingen, die er vaak een potje van maken. Daar kun je bang van worden. – Maar waar is God dan?

Het afgelopen voorjaar werd ik benaderd door een Iraanse vluchtelinge. Aisha. Ze was 18 jaar geleden naar Nederland gevlucht, samen met haar drie kinderen, om die een goede toekomst te kunnen bieden. Dat was niet meer mogelijk waar ze woonde. Ze kwam uit een welgestelde familie, maar had alles opgegeven voor dat doel. Haar kinderen kwamen bij onze dochters op school en een meisje raakte bevriend met onze jongste. Ze zijn alle drie inmiddels de deur uit en ze doen het goed.  Hun moeder bleef achter. Haar taak zat er in zekere zin op. Haar eigen moeder was inmiddels oud geworden en het ging niet echt goed met haar in Iran. Haar vader was enkele jaren geleden overleden. Aisha is moslima en in haar tak van de islam is het gebruikelijk dat dochters voor hun moeder zorgen. Maar ze kon weinig doen. Het was te gevaarlijk om terug te gaan. Precies datzelfde gold voor haar beide zussen, die ook gevlucht waren. De één naar Denemarken, de ander naar Duitsland. Ze probeerde daarom voor haar moeder een visum te regelen om ook naar Europa te komen, de moeder zou dat best kunnen betalen. Maar het lukte niet. Toen vroeg ze mij of de kerk misschien contacten had in Iran en iets zou kunnen bewerkstelligen. Ik nam contact op met de mensen in de kerkelijke organisatie die dat zouden kunnen weten. Die gaven echter aan dat het een ontzettend verdrietig verhaal was, maar ook zij konden niet helpen.

Ik ging naar Aisha toe om dat te vertellen. Zij zei: ‘Ik neem het niemand kwalijk. Maar nu heb ik echt alles geprobeerd. Ik moet me er bij neerleggen’. Maar dat deed wel pijn. Niet alleen omdat ze haar moeder niet kon helpen, maar ze wilde ook zo graag dat haar moeder haar inmiddels volwassen kinderen nog een keer zou zien – en omgekeerd. ‘Eén ding kunnen we nog wel doen’, zei ik. ‘We kunnen het voorleggen aan God, we kunnen samen bidden, dat het op één of andere manier goed komt… Dat God zorgt voor je moeder, een weg vindt, en dat Hij ook met jou is, en met je zussen…’.  Toen hebben we samen gebeden. Zij als moslima, met de ogen en de handen naar boven gericht. Ik met gesloten ogen en de handen gevouwen. Vanuit het geloof dat God een gebed van een mens echt wel hoort, ook al noemt de een hem Allah en zegt de ander ‘Vader’ of ‘Jezus’. Want God denkt niet in hokjes, zoals wij vaak doen.

Maanden gingen voorbij. Wij gingen met vakantie. Zij ging naar haar zus in Denemarken. Vorige week kwam ik haar echter weer tegen, in de supermarkt in Middenmeer. Ze straalde. ‘Ik heb mijn moeder gezien!’, zei ze. ‘Het is mijn zus in Duitsland gelukt! We hebben een visum!’  Ze liet foto’s zien van haar kinderen met een oude vrouw. Haar rechterhand rustte op het bovenbeen van haar kleindochter, die als kleuter bij ons gespeeld had. Ze hadden elkaar 18 jaar lang niet gezien. De uitdrukking op de gezichten spraken ging me door merg en been. ‘Ik had het niet meer verwacht’, zei haar dochter in de supermarkt. ‘Ik kon het eerst niet eens geloven, dat ze in Duitsland was. Ze ligt daar nu in een ziekenhuis… Maar ik ben zó blij!’.

‘Weet je’, zei ze later, ‘we hebben samen gebeden. Ik tot Allah, jij tot jullie God. En toen gebeurde dit wonder. Ik denk dat God ons heeft gehoord…’. Ze zei het bescheiden, niet claimend, maar vol verwondering over de loop der dingen. En ik had weer ervaren waar het eigenlijk om gaat in het geloof. Om samen leven, bij elkaar betrokken zijn, open staan voor elkaar. Dat kunnen wij mensen vaak niet organiseren. Maar het kan wel, het gebeurt wel: waar wij samen openstaan voor God. Hij brengt mensen door alles heen bij elkaar. Zijn liefde is sterker dan wat wij daarvan maken.

Het gekke is, vanuit zo’n positieve ervaring ga je vaak weer wat anders kijken naar het leven en ook naar het nieuws. Gisteravond was er een reportage over christelijke kerken die in Egypte waren vernield en verbrand. Georganiseerde aanvallen, uitermate goed voorbereid. Door de Moslimbroeders, zei de één. Door het regime, zeiden de moslimbroeders, om ons in een kwaad daglicht te stellen. Weer dat geweld en daarbij die leugenachtigheid. Niemand lijkt te vertrouwen. Om bang van te worden.Toen kwam een  protestante dominee aan het woord, wiens kerk totaal vernield was. Hij had in het verbrande gebouw een dienst gehouden, gebeden om kracht en woorden van liefde gesproken. Geen haatpreek.

De journalist vroeg hem na afloop van de dienst of het nog mogelijk was om samen met de moslim in vrede te leven in die stad. ‘Natuurlijk’, zei hij. ‘We moeten bij alles wat er gebeurd is niet vergeten dat moslims en christenen samen hebben geprobeerd de brand te blussen. De hele wijk stroomde leeg om te helpen. We stonden zij aan zij en dat moeten we onthouden. De moslims zijn het probleem niet. Het probleem is het extremisme.

Dat zei een man in de ruïne van zijn kerk, waarbij een cultureel centrum was en waar een stuk zorg voor de armen werd georganiseerd. Alles was doelbewust kapot gemaakt. – Zijn woorden waren goed nieuws, evangelie van liefde en vrede.

Zijn woorden raakten me, hadden een helende werking op me, zoals de dankbare woorden van de vluchtelinge dat ook hadden. Er is een God die alles te boven gaat en mensen bij elkaar brengt. Op Hem te vertrouwen helpt je verder. Een verre collega en een nabije vreemdelinge lieten me dat weten.

Ds. P. Monsma