okt 172013
 

Een poosje geleden mocht ik als gastpredikant een dienst leiden in een mooi oud kerkje hier in de  kop van Noord-Holland. Het was een prachtige zondag. De lucht was blauw, laag licht bescheen de bomen, het riet en de weilanden van de zijkant, waardoor alles meer kleur kreeg. Er was  veel wind, maar in de luwte kon je buiten in het zonnetje zitten. Een twintigtal mensen had besloten die ochtend eerst maar eens naar dat kerkje te gaan. Ook de mooi gerestaureerde kerkzaal stond vol met licht. Dezelfde lage zon scheen door de ramen en weerkaatste via het bedauwde gras op de pasgeverfde muren en het plafond. Het orgel was ook opgeknapt, vertelde de ouderling van dienst. Het was een aantal weken buiten bedrijf geweest en men had zich moeten behelpen met een keyboard. Je kon horen, zei de ouderling, dat de organist daar een hekel aan had. Het ging niet helemaal met liefde – en daar gaat het wel om in de kerk, dat je daar iets van mee krijgt. Maar nu zat hij weer achter ‘zijn’ orgel en de mensen konden heerlijk zingen.

 Ik had de preek meegenomen die gehouden was op onze startdienst – op de boerderij. Die preek was eigenlijk een persoonlijk verhaal, over mijn jeugdjaren, toen we naast een boerderij woonden waar je zalig kon spelen en genieten. Op de boerderij was altijd jong leven, er waren veel kinderen, in de sloten rondom groeiden gele lissen. Het was voor mij een soort paradijs. Totdat er dingen gebeurden die de paradijselijke sfeer verbraken – de dood van een kalfje, kinderen die elkander pestten. Dan komt er een bepaalde dubbelheid in het leven, de onschuld en onbevangenheid verdwijnen. Er sijpelden kou en angst naar binnen. – Precies dat kunnen we allemaal meemaken zo vervolgde ik. Dat het paradijs veloren gaat. Wanneer er ziekte komt in je leven, je partner dementeert, je verliest je werk. Dan is de vraag: hoe sla je je er dan door heen, hoe kom je dan verder?

 U begrijpt dat de preek toen de boodschap uitdroeg dat wij mensen dat niet helemaal alleen hoeven te doen. Omdat God niet loslaat wat zijn hand begon.  Hij gaat met je mee en vangt je op. Wij mensen moeten soms door diepe dalen, Hij zal ons erdoor leiden – naar grazige weiden, om het te zeggen met de beelden van Psalm 23.  Ik moest weer denken aan de prachtige kleuren van de weilanden, die ik onderweg had gezien. Vooral  die van gras dat voor de laatste keer gemaaid was, dat gelige groen… De kleur van de hoop, de kleur van de lente –  ook al is het herfst. De kleur van de nieuwe wereld die komt…

 Zo naderden we het slot van de dienst. De mensen hadden inderdaad lekker gezongen. De organist joeg met liefde Gods adem door de orgelpijpen – en droeg daarmee de samenzang. Goed orgelspel doet zingen, Gods adem doet leven, dacht ik bij mezelf.

 Tijdens de collecte nam ik de ruimte nog wat in mij op. De Paaskaars, de liturgische tafel, de lampen… Opeens viel mijn oog op een grote grasmaaier. Hij stond geparkeerd voor een kerkbank, bij een kleine deur die leidde naar een soort binnenplaats, met een veldje hoog gras. Er stond de koster nog een klusje te wachten. Ik keek de mensen aan. Wat zouden ze allemaal meegemaakt hebben, dacht ik. Wat voor klussen en problemen staan hen te wachten als ze straks weer thuis zijn? Hoe ziet het leven eruit dat ze na de kerkdienst weer binnengaan, waar moeten ze doorheen?

 Toen het slotlied had geklonken mocht ik de zegen uitspreken. De adem van God fluisterde me iets in. ‘Mensen, we zijn gekomen aan het eind van deze viering in jullie mooie kerk. Hiervoor staan symbolen van waar het om draait: de kaars staat voor Gods hartverwarmende nabijheid, de tafel staat voor het leven dat Hij geeft. Het doopvont wil zeggen dat je kopje onder kunt gaan in het bestaan, dat je momenten hebt dat er alle bodems onder je wegvallen. Maar Hij brengt je boven water. – Die symbolen staan in alle kerken, maar jullie hebben er nog één. Die grasmaaier daar bij de deur. Die staat voor het leven dat je zo meteen weer in gaat. Die grasmaaier staat voor de weg die je hebt te gaan. Met zijn mooie lichte kanten en met zijn narigheid en weerbarstigheid. Hij staat voor het werk, en de zorgen en problemen die je te wachten staan en waar je telkens weer ‘tegenaan’ moet. – Precies daarvoor mogen we de zegen ontvangen: God gaat met je mee, de week in, op jouw weg. Door de dalen en over de bergen. Hij geeft je kracht en troost en zal je dwars door al die dingen heenleiden naar rustige water en grazige weiden. Vanuit het verloren paradijs naar een nieuwe wereld. Ga heen in vrede.

Gods adem raakte ons – de mensen en mijzelf. We hebben toen nog wat nagepraat. Een man die weer naar zijn ernstig zieke partner ging, zei dat hij zich voelde gesteund, gekend. Ik werd koud van zijn verhaal. Positief koud van de kracht van Gods leven gevende adem.

Ds. P. Monsma