mrt 062014
 

De tijd voor Pasen is een tijd van bezinning. Weken om in verbinding te komen met de bron van het leven. Met God. Met jezelf. Met elkaar. Met de natuur. Om zo nieuw mens te worden.

Hier gaat het in feite om wanneer de katholieken spreken over de vastentijd. ‘Laat eens wat staan, dan leer je de waarde van het eten weer kennen. Neem wat afstand, dan leer je de nabijheid weer kennen. Trek je een stukje terug uit het leven van alle dag – dan heb je kans om het leven en samenleven en jezelf met nieuwe ogen te zien’.

Laten we deze manier van bezinnen een actie van ons naar God toe noemen. Een soort grote schoonmaak, een zuivering. Protestanten hebben altijd meer nadruk willen leggen op de actie van God naar ons. Wij mensen kunnen zoeken naa rGod, naar de bron die leven geeft. God zoekt ook ons. Het lijden van Jezus heeft daarmee te maken. Protestanten noemden de 40 dagen voor Pasen daarom de lijdenstijd. Men concentreerde zich vooral op het lijden van Jezus.

Iemand heeft me er eens op gewezen dat de zware tijden die je als mens soms door moet een bijzonder resultaat kunnen hebben. Je leert anderen die zoiets meemaken een beetje begrijpen. En je oordeelt niet meer zo snel. Er ontstaat verbondenheid. Iedereen weet dat wanneer je iets naars meemaakt zulk begrip enorm goed kan doen. Vaak immers ga je dan door een land waar je de weg niet kent. De bijbel zou zeggen: je gaat door de woestijn, de woestenij. Je kent jezelf soms niet terug, je verliest vrienden, vriendinnen – omdat ze je niet meer kunnen volgen. Maar je krijgt er soms ook vrienden bij die je eerder niet kende – omdat zij wel een stukje verbondenheid wisten te tonen. Mensen die je onderweg tegenkwam en een stukje met je opliepen…

Om zulke dingen gaat het in de veertig dagen voor Pasen. Alles draait om verbinding. Verbinding van God met ons – je komt hem soms zomaar tegen, als een engel op je pad. Verbinding van ons met God – door bezinning, afstand nemen, vasten. Telkens gaat het dan om met nieuwe ogen leren zien. Naar het leven. Naar jezelf. – Naar elkaar ook. Naar mensen die het zwaar hebben., die lijden. En vervolgens verbondenheid, betrokkenheid tonen, –  in woord en daad. Zodat niemand buiten de boot valt. Dit  met nieuwe ogen kijken betreft ook de schepping, al wat leeft. Zodat je ervan kunt genieten en er zorg voor draagt, respect toont.

Zo leefde Jezus. Hij kon genieten, had plezier en was vol met liefde en betrokkenheid. Hij wist dat God precies zo was. Daarom zei Hij: God is niet veraf, maar dichtbij. Hij zoekt jullie. Stel je ervoor open. Zoek ook Hem. Hij is liefde, acceptatie. Hij wil je niet klein maken, maar je op je benen zetten. Laat zijn licht in je schijnen en door je heen schijnen. Dan wordt alles nieuw.

Jezus deed het voor. Hij leefde hieruit. Hij keek naar mensen met de blik van Gods liefde. Naar zieken, armen, rijken, achtergestelde mensen, buitenbeentjes. Hij zette hen in het licht. Maakte hen opgewekt. Deed hen opstaan uit alles wat hen naar beneden drukte.

Het zat Hem niet mee. Er waren tegenkrachten. Zijn weg van liefde en betrokkenheid werd een weg door de woestenij. Het bracht hem de dood. Maar dwars door de diepte heen ontstond nieuw leven. Hij werd opgewekt. – En vanaf dat moment is Hij voor elk mens een lotgenoot, met je verbonden in de woestijn die het leven kan zijn. Je kunt Hem soms zomaar ontmoeten. Hij kent je – en brengt je in  het licht. En niet alleen jou. Alle mensen. Heel de schepping. – Hij is de bron die leven doet. Die je met elkaar, met de schepping en met jezelf (met alles wat er in je is!) verbindt. Hij doet mens en wereld opstaan uit de dood.

Ds. P. Monsma