apr 152014
 

Aan het eind van mijn opleiding als predikant volgde ik een praktijkstage. Je werkt per slot van rekening met mensen –dat kun je niet alleen uit de boeken leren. Ik nam deel aan een stagegroep van een zestal medestudenten, onder supervisie van professor Gerben Heitink. Enkele van deze studenten liepen  stage in een ziekenhuis, zelf werkte ik drie maanden in een psychiatrische inrichting – en één jongen had een plek gevonden bij een kerk in het centrum van een grote stad. Binnenstadspastoraat.

We waren allemaal een aantal dagen per week bezig op onze stageplek, draaiden in alles mee. In de overige tijd deden we aanvullende literatuurstudie en maakten we verslagen. Het ging daarin om een zo letterlijk mogelijke weergave was van een ontmoeting  en een gesprek. Waarbij wie je zijn of haar verhaal had toevertrouwd, onherkenbaar was gemaakt. Geanonimiseerd, zoals dat heet. Want er bestaat ook nog zoiets als ambtsgeheim. Zulke verslagen werden dan besproken in de groep. Het doel van de bespreking was ervan te leren – je eigen sterke en zwakke kanten – om een ander beter tot dienst te kunnen zijn.

Op een gegeven moment was een verslag van de student die mensen in de grote stad bezocht aan de beurt. Hij had een man ontmoet, die voor zijn werk de hele wereld had afgereisd. Nu had hij een vaste plek, een vaste relatie– maar toch  kon hij ‘het’ niet vinden. U kent dat misschien wel: dat je een periode of een leven lang op zoek kunt zijn naar je echte plek en je ware zelf in het leven. De man was niet gelukkig. Hij voelde dat hij daarmee zijn partner eigenlijk tekort deed. En zo kun je met elkaar gemakkelijk in een vicieuze cirkel komen van schuldgevoelens jegens elkaar, verlangens die je amper onder woorden kunt brengen. Botsingen met elkaar en met jezelf. Invullingen aan het leven geven die eigenlijk niet helpen. Verslavingen en schulden bij de Wehkamp liggen dan op de loer, om het zomaar te zeggen.

‘Kunt u verwoorden hoe u zich voelt’, vroeg de student. Ja, zei de man. Ik heb een tijd in Zuid-Oost Azie gewerkt. Daar groeit zoals je weet bamboe. Ik was daar een keer op een vliegveld: een enorme laag beton lag in de jungle uitgespreid. Alles werd erdoor afgedekt. Maar dat bamboe was zo sterk, het groeide dwars door het beton heen. Zo voel ik me, alsof ik onder een laag beton lig. Maar ik ben ook sterk. Ik groei er dwars doorheen. Ik zal het licht weer zien. Maar vanzelf gaat het niet…

Dit verhaal ben ik nooit vergeten. De beeldspraak van de man was zo sterk. Je leven kan inderdaad met een laag grijs beton overgoten worden. Door alles wat je meemaakt. Dat is heel zwaar. Elke dag weer die last. En het verlangen naar bevrijding. Sommige mensen blijven een leven lang zoeken…

Straks vieren we Pasen. Jezus, een mens als wij, werd platgewalst door de kwade kanten van het bestaan. Onder beton gegoten. Een zware steen hield hem gevangen in zijn graf, in de dood. Dood – dat woord heeft bijbels gesproken met de ‘lichamelijke dood’, maar ook met het dagelijks leven, waarin je amper lucht krijgt en licht ziet. De boodschap van Goede Vrijdag is, dat Jezus deze dood in ging, om met ons te zijn. De boodschap van Pasen is dat het beton dat hem gevangen hield van binnenuit is doorbroken. Zoals de bamboe dat deed van onder het vliegveld in Azië. Dat er voor ons allemaal een opening is, waardoor Hij mensen in nauw de hand reikt, licht geeft, adem – om verder te kunnen. Om op te staan, om ondanks alles opgewekt en met hoop te kunnen leven. Om vrij te zijn, midden in de zorgen en onder de druk. En om ook elkander de hand te kunnen reiken en licht te brengen. – Pasen betekent: het beton zal het niet winnen. De muren die je van jezelf, van elkaar en van het echte even scheiden. Er is een opening, er is Toe-komst, door Jezus, bij God. Deze God is en blijft met je verbonden. Je hoeft niet alleen te gaan.